Kattenstraat(je)

toponymie

 

Kat is een bijvorm van kade, kaai en betekent: dam, kunstmatig opgeworpen grondrug, bevestigd door paal- en rijswerk, die dient tot beschutting (J. Lindemans).

Kat: dijk, vesting, dam langs rivieren of wallen der steden; «il y avait un Kattestraat le long des ramparts de la plupart de nos villes». (Albert Carnoy).

 

Te Roeselare werd een kat of beschuttingswal opge­worpen langs dat gedeelte van de Mandel dat de west­grens van het Schependom vormde, en zodoende in het verdedigingsstelsel van de stad werd opgenomen. De erlangs liggende straten werden Kattenstraat (= dijkstraat, vestingstraat) en Wallenstraat (zelfde betekenis) geheten.
De volksmond zag in kat alleen nog het huisdier, en dat verklaart de later ontstane huisnamen «de Kat» in de Kattenstraat en in dat gedeelte dier straat, dat nader­hand in Kernemelkstraat is veranderd.

 

Bron: dr. Désiré Denys, Toponymie van Roeselare (privee-uitg. met steun van Stadsbestuur en nv Bank van Roeselare, Roeselare 1952)

 
 
 

Inhoudsmaten

in de kasselrij Kortrijk

 

mud
   = 8 zakken of 12 razieren of 48 havot
razier
   koren: 84,24 liter
   haver: 88 liter
stoop
   = 2,748 liter
halster
   = 1/2 zak
havot
   = 4 pinten

 

Bron: Iñez Demarrez, Meulebeke, Wel en wee tot 1850 (uitg. Heem­kundige Kring ‘De Roede van Tielt’, Tielt 2002)

 
 
 

Kasselrij

 

Van Dale: kasselrij (v.; -en) [van Mnl. castel, cassel (kasteel)], (hist.) benaming voor zekere heerlijkheden in Vlaanderen en an­dere Zuid-Nederlandse gewesten, syn. burggraafschap, vgl. kastelnij.

 

In de middeleeuwen was Vlaanderen opgedeeld in xvij bestuurlijke/aministratieve gebieden (de Vlaanderens):

 

            • Het Brugse Vrije
            • Kasselrij Kortrijk
            • Kasselrij Ieper
            • Kasselrij Rijsel ¹
            • Het Doornikse ²
            • Veurner Ambacht
            • Broekburger Ambacht ¹
            • Sint-Winoksberger Ambacht ¹
            • Kasseler Ambacht ¹
            • Beller Ambacht ¹
            • Baljuwschap Dowaai ¹
            • Kasselrij Oudenaarde
            • Burggraafschap Gent
            • De vier Ambachten ³
            • Graafschap Aalst ³
            • Heerlijkheid Dendermonde ³
            • Baljuwschap ’t Land van Waas ³

1/ Definitief Frans grondgebied en verfranst tot resp. Lille, Bourbourg, Bergues, Cassel, Bailleul en Douai.
2/ Nu Tournai, behorend tot de Belgische provincie Henegouwen.
3/ Het toenmalige Keizersvlaanderen (leen van de Duitse keizer); de overige kasselrijen behoorden tot Kroonvlaanderen (leen van de Franse koning).

 

 
 
 

Landmaten

in de kasselrij Kortrijk

 

Lengtematen:
voet (11 duimen)
   = 0,29759 m
pertse of kleine roede (10 voeten)
   = 2,9759 m
grote roede (20 voeten)
   = 5,9518 m
 

Oppervlaktematen:
bunder (B) (3 gemeten of 400 grote roeden)
   = 1 ha 41 a 69 ca en 56 dm²
vierendeel (1/4 bunder of 100 grote roeden)
   = 35 a 42 ca en 39 dm²
grote roede (1/400 bunder)
   = 35,4239 m²
honderd lands (C) (100 kleine roeden)
   = 8 a 85 ca of 885,598 m²
kleine roede (100 voet² of 1/1600 bunder)
   = 8,85598 m²

 

Bron: Iñez Demarrez, Meulebeke, Wel en wee tot 1850 (uitg. Heem­kundige Kring ‘De Roede van Tielt’, Tielt 2002)

 
 
 

Het stadsmagistraat

in Diksmuide (Brugse Vrije)

 

1/ De graaf van Vlaanderen
Deze werd vertegenwoordigd door de ruwaard.

Hij moest de grafelijke rechten veilig stellen tegenover het stadsmagistraat.

 

2/ De heer van Diksmuide

De heer was ondergeschikt aan de graaf. Het ‘heerschap’ was erfelijk.

 

De baljuw was de vertegenwoordiger van de heer bij het stadsmagistraat en was hoofd van politie.

Hij had het recht om in naam van de heer de schepenbank (rechtbank) voor te zitten, maar mocht geen von­nis vellen; dat was voorbehouden aan de schepenen.

 

De schout was de eerste hulp van de baljuw.

Hij vertegenwoordigde hem en was hoofd van de politie. Hij zat ook de schepenbank voor. De schout had een onderschout (de kruk-, roede- of kolvedrager).

 

3/ Het stadsmagistraat
Naast de baljuw benoemde de heer 13 schepenen waarvan er één de titel voerde van eerste burge­meester of burgemeester van schepenen.

De schepenen moesten waken over de privilegiën van de stad en haar bewoners. Ze waren de wettelijke beschermers van de we­zen en controleerden het beleid van de voogden. Ze spraken ook recht in naam van de heer, zowel in de schepenbank (zoiets al het tegenwoordige vredegerecht) als in de vierscare, waar grote over­tredingen werden behandeld.

 

De schepenen kozen op hun beurt 13 raadsleden waarvan er één de titel voerde van tweede burge­meester of burgemeester van de commune.

De raadsleden stonden de schepenen bij met hun raad en deden het dagelijkse werk in de stad.

 

Deze 26 samen verkozen dan de tresoriers, de leden van de kerkraad (kerkmeesters), de leden van de disch (armenmeesters), de griffiers &z.

 

Dit hele complex werd de wet genoemd.

 

Bron: Nota’s van het stedelijk archief van Diksmuide, opge­spoord door Maurice Catteeuw, in leven conservator van het museum aldaar.

 
 
 

Martyrologium

 

Van Dale: martyrologium (o.; martyrologia) [Lat.], marte­laarsboek of -lijst.

 

Hoe gravin Johanna van Constantinopel te Markete (het huidige Marquette) om het leven kwam wordt in de ge­schiedenisboeken niet vermeld.
Toch geeft onze bron eenduidig aan dat ze in een mar­telarenboek wordt vermeld, en dat wil nogal wat zeggen!

 

 
 
 

Munteenheden

in het graafschap Vlaanderen tijdens de oude orde

 

Pond, schelling, denier:
   pond (p.) of libre (lb., £) = 20 schellingen;
   schelling (sch.) = 12 deniers;
   denier (d.) of penning (p.) = kleinste eenheid.

 

Men kende twee ponden:
   pond Parisis (p. par. of lb. par.),
   een vanaf de 10e eeuw in Parijs geslagen munt;
   pond groten Vlaams (p. gr. Vl.),
   twaalf maal zwaarder, (vanaf de 13e eeuw).
   Verhouding: p. gr. Vl. : p. par. = 1 : 12.
 

Gulden, stuiver:
   gulden = 20 stuivers.
   Verhouding: p. gr. Vl. : gulden = 1 : 6.

 

Bron: Iñez Demarrez, Meulebeke, Wel en wee tot 1850 (uitg. Heem­kundige Kring ‘De Roede van Tielt’, Tielt 2002)

 
 
 

Rasp- & Spinhuizen

in de Oostenrijse Nederlanden

 

Sinds de late middeleeuwen beschouwde men zwervers en bedelaars vaak als misdadigers. Tot diep in de achttiende eeuw was het gebuikelijk om ze op water en brood te zetten als het zo uitkwam.

 

In de zuidelijke Nederlanden komt aan het einde van de achttiende eeuw onder Oostenrijks bewind een kentering als de eerste rasp- en spinhuizen worden gesticht. Dat zijn gevangenissen waar zwervers en bedelaars aan het werk moeten. Vrouwen spinnen en mannen raspen er tropisch hout.

 

Bron: Artikel ‘De Goelag Archipel van België’ in het Brabants Dagblad van 2007-10-26.

 
 
 

Schout

 

Van Dale: schout (m.; -en) [Mnl. schoutete, van schout, scholt, schult (verplichten) + heten in de zin van gebieden, dus een over­heidsdienaar die de plichten oplegt], 1 (hist.) bestuursambte­naar, later hoofd van het gerecht en de politie in een stad of een district, m.n. als openbaar aanklager.

 

De schout (Lat. scultetus, Fra. écoutÍte, écoutète) was vertegenwoordiger van de heer inzake rechtszaken. Hij was rechter in de hoge en lage rechtskringen, leider van het gerecht en rechtsvorderaar (soort openbaar mini­sterie van nu).
Hij kondigde de beslissingen van het gerecht af en voer­de deze zo nodig uit. Hij had geen stem bij het ne­men van de beslissingen van het gerecht.
In steden die ook hoge rechtsmacht hadden en waar het stadsgerecht, m.a.w. de schepenbank zowel de lage als de hoge rechtsmacht uitoefenden, werd de schout ook rechter in het hooggerecht en werd daarom als hoog­schout aangeduid.

 

Bron: Marc Van Assche, in Coyldiana 1979

 
 
 

Staakmolen

 

Van Dale: staakmolen (m.), standaardmolen.

 

Er bestaan twee belangrijke windmolentypen:
1/ de stenen windmolen  en
2/ de houten standaardmolen.

 

In West-Vlaanderen wordt die tweede meestal staak­molen genoemd. Het is een molen waarvan het hele molenkot op de wind kan worden gedraaid.

 

Vlaanderen is vermoedelijk de bakermat van de wind­molen; vanuit onze streken veroverde hij waarschijnlijk de rest van de wereld.
Al uit het einde van de 12e eeuw zijn ons documenten nagelaten waarmee molenrechten werden verleend. Zo is er een akte waarmee graaf Filips van de Elzas in 1183 het alleenrecht van molenbezit schonk aan de ab­dij van Sint-Winoksbergen (Wormhout in Frans-Vlaan­deren). In 1197 kregen de Benedictinessen van Ieper toestemming van graaf Boudewijn ix van Constanti­nopel om een windmolen te bezitten in het (nabijgele­gen) Zonnebeekse Nonnenbos.

Vanaf de dertiende eeuw schenen windmolens her en der als paddestoelen uit de grond te rijzen. Ook de Hollanders hebben hem toen ‘uitgevonden’, samen met onze aloude kloefen.

 

 
 
 

Wezerij/Weeskamer

in de kasselrij Kortrijk

 

Zoals alle grote Vlaamse steden had ook Kortrijk voor het voogdijbeheer zijn Weeskamer. De bevoegdheid van die kamer strekte zich uit over alle poorters van de stad en de bui­tenpoorters in de kasselrij.
Bij het overlijden van vader en/of moeder werd iedere minderjarige (jonger dan 25) onder voogdij geplaatst en werd zijn deel van de ouderlijke nalatenschap vastge­legd in een zgn. Staat van Goed.
De aangewezen voogden moesten de opgemaakte akte in Kortrijk gaan ondertekenen.

 

 
 
 

Wetsvernieuwingen

in de Vlaamse steden

 

Het stadsmagistraat werd tijdens de oude orde (en uit gewoonte nog lange tijd daarna) ‘De Wet’ genoemd. Dat betrof de twee burgemeesters, de schepenen, de raads­leden, de tresorier en in Brugge ook de hoofdmannen van de zestendelen.

 

Jaarlijks werden die ambtenaren benoemd, en hun na­men werden vastgelegd in een register van wetsver­nieuwingen. Die registers zijn veelal bewaard gebleven.

 

In die jaarlijkse registers tref je vaak ook de namen van de gildemeesters aan (dekens, keurders).