v. 2009-11-24 —

 

en het graafschap Vlaanderen vóór 1384

 

[FR] [WVL] [VL]

 

Onze familie stamt uit Vlaanderen,
en we plaatsen onze familiegegevens daarom graag tegen de achtergrond
van onze streekgeschiedenis.
 

Vlaanderen dankt zijn naam aan ‘pagus Flandrensis’, een Karolingische gouw rond Brugge. De basis van het graafschap werd gelegd door Boudewijn ij na het vertrek van de Noormannen. Latere graven breidden het graafschap uit tot aan het hertogdom Normandië en veroverden gebieden die be­hoor­den tot het Duitse rijk (Keizersvlaanderen). Vlaanderen deelde bovenmatig in de economische groei die West-Europa ten deel viel. De groei van steden als Brugge, Gent, Rijsel, … overtrof in sterke mate die van andere steden in het Franse rijk.
Voornamelijk onder de regering van Filips van den Elzas (1169–1191) was het aanzien van het graaf­schap groot; het gezag van de graaf strekte zich uit tot in de buurt van Parijs. Het prestige en de ter­ritoriale macht van de graaf waren voldoende reden om hem aan te stellen tot voogd over zijn naam­genoot, de Franse kroonprins Filips ij. Na ’t herstel van een eeuwenlange onmacht van de Franse monarchie was het juist deze koning Filips ij Augustus die, met de bedoeling alle Franse gebieden weer stevig onder ’t gezag van de Franse kroon te brengen, een deel van Vlaanderen tot een nieuw graafschap maakte (Artesië). Hij slaagde er in 1205 ook in zijn kandidate, Johanna van Constantinopel (× Ferrand van Portugal), benoemd te krijgen tot de nieuwe gravin van Vlaanderen.

 

Met deze gravin Johanna –de oudst gekende ‘eigenares’ van het goed
Coilge– begint onze familiegeschiedenis. We maken hieronder nader kennis met haar.
Maar eerst wat gegevens over onze naam…

 

De vele varianten van onze naam

 

De rijke variatie aan schrijfwijzen van onze naam is vrij eenvoudig terug te vinden. Als we die hier allemaal achter elkaar hadden weergegeven, dan was deze bladzijde al snel te klein geweest. Een aantal ervan zien explorergebruikers hier­naast voorbijflitsen.
Die verschillende schrijfwijzen kom je zelfs tegen bij vroegere vermeldingen van één en dezelfde persoon. Zo kwam het voor dat een voorouder als Van Coillie ge­bo­ren werd maar als Van Caillie overleed. In één gezin zie je ook vaak dat broers en zusters ‘officieel’ een verschillende familienaam hadden. De spelling was ener­zijds afhankelijk van de uitspraak van de aangever, en anderzijds van de veelal fonetische schrijfwijze van de pastoor of van de ambtenaar. Het was daarbij ook zeker van belang of de schrijver gewend was Frans of Nederlands te schrijven.
 

Veel familieleden hadden vóór 1973 zo hun eigen idee over de herkomst van hun familie en familienaam.
 

Enkele Van Coillie’s hadden van hun grootouders gehoord dat hun stam­vader uit Spanje kwam. Een Spaans offi­cier zou met de gouden knopen van zijn uniform in Vlaanderen bezittingen hebben gekocht en er zich definitief gevestigd hebben…

 

Een onwaarschijnlijk klinkend verhaal (zie volgende alinea). En, voor een paar gouden knopen was er volgens ons ook toen niet zo veel te koop in Vlaanderen…
 

 

Deken Frederik Van Coillie (1804–1884) kwam met zijn ideeën over een ver­moede Spaanse afkomst wat beslagener ten ijs. Hij bezat namelijk ooit origi­nele do­cu­menten waaruit de Spaanse afkomst van zijn Van Coylde-voorouders zou moe­ten blijken…

 

Maar, de nu beschikbare onderzoeksresultaten tonen eenduidig aan dat er al in de xiije eeuw Van Coilge’s/Vanquoille’s in onze kontreien woonden. Dat is dus lang vóór dat er in de Nederlanden Spaanse soldaten rondtjoolden.
 

 Van Coylde van Spaanse kom­af?
Wel…

Professor Roger Van Coillie had weer ergens gehoord dat de eerste De Coilge een ambtenaar was die vanuit de Savoie die naar de noordelijke provincies was gestuurd. De Savoie is een streek ten zuiden van Bourgondië waar nog altijd veel Caille’s; en dat was waarschijnlijk de voedingsbodem voor die veronder­stelling.

 

Maar, onze naam kwam in Vlaanderen al voor ruimschoots vóór de Bourgondische tijd…
 

De notarissentak Van Caillie tenslotte, die heel consequent een afwijkende naamspelling ge­bruikt, moet verbaasd geweest zijn toen men de eerste Van Coilge in ’t vizier kreeg.
De Caillie-spelling past totaal niet bij de ‘veronderstelde’ oor­spronkelijke uitspraak van onze naam. En zo zullen de Van Caillie’s dat ook altijd hebben aangevoeld.
 

Een grote groep naamgenoten die tussen 1973 en ’80 aan het uitgebreide stamboomon­derzoek deelnam en waarin de nodige naamvarianten vertegen­woordigd waren, kwam er al spoedig achter dat de meeste van hun namen leidden naar één gemeenschappelijke stamvader: Rouger van Coilge (geb. ca. 1453) en zijn voorouders, waarschijnlijk uit Izegem. Voor de overigen zoeken we naar een nog oudere gemeenschap­pelijke stamvader. Maar, hoe verder je in het verleden zoekt, des te dunner wordt de spoeling van geschreven bronnnen waaruit familierelaties kunnen blijken.

Izegem ten zuidoos­ten van Roeselare

 

De oudste vermeldingen van onze naam

 

Onze oude Vlaamse familienaam, met zijn vele schrijfwijzen, heeft veel taal- en naamkundigen beziggehouden. Hieronder enkele aanhalingen van voorouders die leefden vóór 1384.
 
Dr. Wilfried Beele noemt in zijn thesis Over Vlaamse Familienamen (1975) zijn oud­ste vindplaatsen:

 

Ieper 1280: «Lambert de Coilge contra Michaelem de Coilge»;
Gullegem 1382: «Jan van Coolge ende syn wyf»;
Ieper 1390: «Hanin Coelge»;
Geluwe 1398: «Jan van Colleghem»;
Meulebeke 1398: «Willem van Coelien, dit van den Houte»;
Het Kortrijkse 1425: «Hannin van Coolge, metsersknape».

 

Bij het ontstaan van de kerkregisters eind 16e eeuw is de oude Coilge-spelling nog goed merkbaar in parochies waar naamgenoten voorkwamen.
 
Het stadsarchief van Brugge bewaart onderstaande charter van 1348-03-25 waarin ene Jhan van coolgen wordt genoemd als schepen van de gravin van Namen.

 

 

Van de onder neven­staande titel genoem­de personen vonden we nog geen docu­menten die hen in re­latie brengen met on­ze stamoudste Rouger van Coilge noch met diens vader Vincent.

charter

SA Brugge:/Fonds Bogaardenschool. (Foto: Marc Van Assche)

 

Karel De Flou citeerde in zijn 18-delig Woordenboek der toponymie van Westelijk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië, het Land van den Hoek, de graafschappen Guines en Boulogne, en een gedeelte van het graafschap Ponthieu (uitg. Siffer, Gent 1914–1938) nog oudere vindplaatsen:

 

1238, S. Mart Tournai: «... coram Nicholao de Quaile»;
1263, Sonnebeke: «... et in loco qui dicitur Coille»;
1266-04-07, Chir. Ypres: «Jehans de Quoille»;
1266-04, Chir. Ypres: «Joh Colge»;
1275-05-05, Chir. Ypres: «Jehan de Coille»;
1283-11-07, Chir. Ypres: «Avezoete de Coille»;
1284-11-03, Chir. Ypres: «Marote de Koelle»;
1289-04-24, Chir. Ypres: «Avain de Quoille»;
1289-10-02, Chir. Ypres: «Robert de Quoille»;
1297, Sonnebeke 139: «... et Lamberti de Coilge»;
1297, Ctes Ypres 1, 125: «... Lambert de Koellie»;
1297, Ypriana 4, 368: «... Lambert de Koelhe»;
1298, Ctes Ypres 1, 136: «... Lambert de Coellie»;
ca.1300, S. Kerstinen Ipre f. 4: «... huus dat de vrauwen van Coillen was»;
ca.1300, S. Kerstinen Ipre f. 4: «... van de vrauwen van Coilgen lande»;
ca.1380, S. Kerstinen Ipre f.12: «... van der vrouwen van Colghen lande».
 

Amand d’Herbomez haalt het eerste citaat van Karel De Flou wat uitgebreider aan in zijn Chartes de l’abbaye de St. Martin de Tournai, Collection Chroniq. Belges T1, blz. 484–486, nº 451:

 

«Op 19 april 1238 was Nicolaas de Quaille te Kortrijk getuige van een vergelijk tussen de abdij van Sint Maarten te Doornik en Jan van der Elst, met Zegher van der Kouteren anderzijds, aangaande de tienden welke dezen bezaten te Izegem.»

 

Bronnen…Coyldi­ana gaf bij neven­staande naams­ver­meldingen uit De Flou slechts de verwijzingen naar zijn bronnenregister weer; de exacte omschrij­vingen van de bron­nen zelf ontbreken.
 
Iemand die ze eens in dat werk kan opzoe­ken? Misschien levert de context van de ci­taten interessant ma­te­riaal op!

 
 

Citaat…? Vermoe­delijk vertaalde de redactie van Coyl­diana de oor­spronkelijke tekst in mo­dern Nederlands.

 

Johanna van Constantinopel en Coilge

 

Schenking – In 1202 schonk graaf Boudewijn ix aan de abdij van Nonnenbosch een tiende van zijn bezit nabij Coilge:

 

«Ego B… dedi elemosinam decimam quam habui apud Wouthulst et quandam aliam decimam quam habui apud Coilge.»

Bron: blz. 83 van „Leopold Van Hollebeke, L’Abbaye de Nonnenbossche de l’Ordre de Saint-Benoit près d’Ypres, suivi du Cartulaire de cette Maison, uitg. Brugge 1865 (168 blz., geïll.)”, zoals aangehaald in Biekorf, jrg. 1909, blz. 300-301.

 

Dezelfde bron vermeldt dat de kloosterlingen elk jaar op 5 december –de sterfdag van Boudewijns dochter in 1244, gravin Johanna van Constantinopel– in hun martyrolo­gium de volgende tekst lazen:

 

«Abijt Joanna, Comitissa Flandrie, dedit nobis duo millia halecum, decimam de Coilge et de Ghits.»

Bron: Leopold Van Hollebeke, idem, blz. 25, zoals aangehaald in Biekorf, jrg. 1909, blz. 300-301.

 

(Zij schonk ons tweeduizend halecum, een tiende van Coilge en van Gits.)

 
De eerst aangehaalde tekst (uit 1202) is een van de oudst bekende waarin de heer­lijkheid Coilge wordt genoemd.
Noch over de personen die in 1202 en ’44 over dat leengoed een tiende afdroegen noch over de exacte ligging van het goed vertellen de bronnen iets.
 

Zonnebeke

Zonnebeke ten zuid­westen en Gits ten noorden van Roese­lare. Het goed Coilge moet daartussenin gelegen hebben.
 

  martyrologium, mar­telarenboek/-lijst…

Wie was Johanna van Constantinopel eigenlijk? Gravin Johanna was, blijkens haar vermelding in het eerder aangehaalde martyrologium, eigenares van het tien­degoed Coilge. Ze werd geboren in Valencijn omstreeks 1188 als oudste dochter van Boudewijn ix, graaf van Vlaan­deren en Henegouwen, en latere keizer van Constantinopel, die in 1205 werd vermist. Zijn broer Filip, markgraaf van Namen, werd regent van Vlaan­deren tot 1212 terwijl Boude­wijns dochters, Johanna (erfdochter van Vlaanderen, Henegouwen en Na­men) en Margareta, opgevoed werden aan het hof van de Franse koning Filips ij Augustus te Parijs.
Johanna trouwde in 1212 met Ferrand van Portugal (derde zoon van koning San­cho i) die daarmee graaf van Vlaanderen werd. Hij koos partij voor de oppositie tegen de Franse koning, mede omdat Filips Augustus de kasselrijen Ariën en Sint-Omaars als beleningsprijs eiste. Uiteindelijk behaalde Ferrand een ne­derlaag in de slag van Bouvines (1214-07-27); hij werd gevangen genomen en zijn Vlaamse leger werd verslagen.
Zijn vrouw Johanna regeerde 13 jaar met succes alleen. In april 1226 werd haar echter het vernederende verdrag van Melun opgedrongen waarmee Vlaanderen politiek werd onderworpen aan Frankrijk. Pas daarna, in januari 1227, kwam haar echtgenoot Ferrand weer vrij. In 1231 werd hun dochter Maria geboren. Graaf Ferrand stierf op 1233-07-27. Volgens de toenmalige gebruiken werd Maria ver­loofd met Robrecht van Artesië, broer van Lodewijk ix, maar het kind stierf jong, in 1236.

 

Johanna was wéér alleen. In 1237 ging zij een tweede huwelijk aan met Thomas van Savoie. Dat huwelijk bleef kinderloos.
Ondertussen had zij goede betrekkingen opgebouwd met Parijs en Engeland. Tijdens haar bewind nam de economische bloei toe en daarmee ook de welvaart van de Vlaamse steden, die medezeggenschap verlangden in de Vlaamse politiek.
Zij viel op door haar vroomheid. Ze begunstigde verschillende orden en stichtte kloosters, abdijen, hospitalen en leprozerijen. De schenking uit haar heerlijkheid Coille aan de abdij Nonnenbosch is daar een voorbeeld van.
Johanna stierf op 1244-12-05 te Markete en werd opgevolgd door haar zus Margareta van Constantinopel.

 
 

Gravin van Vlaanderen

Johanna van Con­stantinopel (1188–1244), gravin van Vlaanderen en Hene­gouwen, eigena­res van het goed Coilge

 

Waar lag het goed Coilge/Coille?

 

We vonden de volgende gegevens in Désiré Denys, Toponymie van Roeselare (uit­gave in eigen beheer, Roeselare 1952) ¹).

 

«Coillie was inderdaad een op een lichte glooiïng liggende heerlijkheid te Oostnieuwkerke. De plaatsen en landerijen te Roeselare die eigendom van die heerlijkheid waren of er van afhingen, droegen ook de naam Coillie. De beek, die op de heerlijkheid Coillie ontspringt en grotendeels op het grondgebied Roeselare vloeit, werd naar haar Coillievijverbeek genoemd, en ook de Coillievijvers danken haar hun naam.»

 

Het betreffende gebied ligt voor middeleeuwse begrippen redelijk ver buiten de toenmalige bouwtroep van Roeselare maar ook weer niet ín de kleinere woon­kern Oostnieuwkerke.
Het is dus mogelijk dat het goed Coilge/Coille ‘bewoond’ werd. En misschien wer­den al die eventuele bewoners Van Coilge genoemd. Die conclusie kunnen we ech­ter pas trekken als we naamgenoten vinden die niet afstammen van Vincent van Coilge (º ca. 1370) en/of zijn voorouders.

 

1) Een facsimile-uit­gave van het boek van germanist Désiré Denys verscheen on­der de overdruktitel Roe­selaars plaatsnaam­kundig woordenboek (Toponymie van Roe­selare), (uitg. Fami­lia et Patria, Korte­mark-Hand­zame 1982).

kaart Coilliemolenstraat

 

«De Coillievijvers (= «bergvijvers») waren twee uitgestrekte vijvers onder de heerlijkheid Coillie, grotendeels op Oostnieuwkerke en voor een klein hoekje slechts op Roeselare gelegen. Een groot bos heeft later de plaats van de voormalige vijvers ingenomen, doch ook daarvan is thans niets meer waar te nemen.
Straten en wegen die naar of in de nabijheid van de vijvers liepen, werden Coillievijver­aardeweg, Coillievijverbinneweg, Coillievijversstraat en Vijverstraat geheten. Beide laatste werden naderhand in Waterstraat veranderd, benaming die toen nog (1834) doelde op het grote «water» van de alsdan reeds gevulde «Coillievijvers». De Coillievijverbeek, die niet in de Coillievijvers haar oorsprong nam maar, gezien vanuit het stadscentrum, uit de algemene richting van de Coillievijvers kwam, dankt hun onrechtstreeks haar naam.
»
 

Collievijveraardeweg


Colliemolenstraat noch Coillemolen wor­den in Denys’ boek ge­noemd; ze lagen op Oostnieuwkerke’s grondgebied.

Coilge en Roeselare – De stad Roeselare kende tot ongeveer 1600 slechts enkele vrouwen Van Coillie als poorters. De poortersboeken van Kortrijk en Brugge (ste­den die toch verder van Oostnieuwkerke liggen) geven er vanaf 1440 tot 1580 al tientallen weer.
Toch kent Roeselare meerdere eeuwenoude toponiemen die naar Coilge ver­wij­zen. We halen nog een paar trefwoorden aan uit Denys:

 

«Coilliebilk»
«Coilliebroek (stuk), ligt in een grote moerassige bocht van de Mandel.»
«Coillieput, de, identisch met Coilliebilk; ligt inderdaad op een dalende grond, als in een put, nabij een bocht van de Mandel.»
 
Maar, onderstaand Collievijverpark komen we bij Denys niet tegen. Dat park is waarschijnlijk van recentere datum?

 

 

Roeselare

Collievijverparkdetail

 

Een andere informatiebron waaruit de relatie van Roeselare met het goed Coilge blijkt, dat zijn de Rekeningen van Rouselare Ambacht, na te lezen in de Roeselaarse Zantingen. In deel 118 daarvan vond Marc Van Assche:

 

  een eerste vermelding van de plaatsnaam in de rekeningen beginnend op 1486-08-09 en eindigend op 1487-07-31; het betreft inkomsten uit…
«Bevere, Ostrem, Quoilge, Rumbeke»

 

  in de rekeningen over 1489–1490 komen daar nog bij:
«Nieukerke, Hardoye en De Porterie»

 

  in de rekeningen 1491–1493 eveneens inkomsten uit…
«Oostrem, Quoilge, Beveren, Rumbeke en Nieukerke»

 

  in 1523 een vermelding waarbij de naam Coelgen wordt gespeld.

De Coillievijverbeek (5100 m) komt uit Moorslede en vloeit bij het Klein Semi­narie in de Mandel.

 

De Coillemolen

 

Staakmolen – Bij de kopie van Maurits Vancoillie’s gegevens zit (bij het ‘Woord vooraf’) een kopie van een boekpagina met gegevens over die molen, echter zonder enige bron­vermelding. Verontschuldigingen aan auteur/uitgever.

 

«De Coilliemolen was een houten staakwindkorenmolen 3º klas, gelegen westwaarts van de hofstede betrokken door Jerome Reyns–Deruyter, Ieperstraat 22.
Deze molen, aanvankelijk opgericht op de Coillieheerlijkheid, was wellicht één van de oudste molens van Oostnieuwkerke.
De molenwal was zeer groots opgevat en besloeg in 1850 nog 11 a 30 ca en het grondvlak van de molen besloeg 50 ca. Vermoedelijk werd hier betracht in alle weersomstandigheden het hoofd te kunnen bieden aan de wispelturige wassende wateren van de nabijgelegen Coillievijvers.
Deze molen werd in 1906 volledig afgebroken.
»
 

 

 staakmolen of standaardmolen…

 

staakmolen

Houten staakmolen

Waar stond die molen, en hoe oud was hij? – Op vele oude kaarten vind je ten zuid­westen van Roeselare die Coille-molen. Naast de torens van steden en dorpen waren ook (vaak hoog gelegen) molens goede oriëntatiepunten voor reizigers in het vlakke Vlaamse land.
 
1. Locatie.  We bladeren eens door Jozef Bossu, Vlaanderen in oude kaarten, Drie eeuwen Cartografie (uitg. Lannoo, Tielt/Bussum 1982).  Daarin vinden we die molen onder de volgende namen:

 

  de Coilen Molen op blz. 96/97: Joan Blaeu, Episcopatus Brugensis, opgedragen aan Nikolaas de Haudion, bisschop van Brugge (1641–1649);
  de Coille molen op blz. 102: Joan Blaeu, De Casselrie van Ipre, uit Atlas Major (Amsterdam 1662), zie detail hieronder;
  de Coilen Moulin op blz. 150/151: Pieter Schenk, Flandriæ Comitatus, uit Atlas Contractus (Amsterdam, ca. 1700);
  de Coline op blz. 152/153: Didier Robert de Vaugondy, Comté de Flandre, uit Atlas Universelle (Parijs 1750–1757).

 

 

De man is mette vrouw ghelijck twee molesteenen,
die onderling behulp malkander moet’ leenen;
want alsser een ontwijckt, of sijn bewegen staeckt,
ofschoon de tweede maelt,
daer wordt geen bloem gemaeckt.

 

Uit: Jacob Cats, Houwelick (1625)

Coille-molen

 

Detail (no) van de kaart De Casselrie van Ipre, de mooi­ste kaart uit het hoofdstuk Vlaan­deren van de Blaeu-atlas. De kaart werd in 1641 gete­kend en gegraveerd door Vedastus du Plo­vich voor Sande­rus’ Flandria Illustrata in opdracht van uitge­ver Henricus Hondius.

 

De grens tussen de Kas­selrij Ieper en het Brugse Vrije is met geel en rood gemar­keerd.

2. Leeftijd.  De oudste kaart is er een uit ongeveer 1640. Hoe oud die molen toen was… we weten het niet, maar die economisch belangrijke bouwwerken werden goed onderhouden en gingen lang mee.
De tot nu toe oudste vermelding (uit 1577) ontvingen we van Hubert Vanden­bussche uit Roeselare:

 

«Item de voornomde weesen hebben noch eenen busch.  Groot: een ghemet, ghestaen ende gheleghen bewest vande coille muelene inde prochie van nieukercke, onder de heerlicheede vanden hove te Staen.»

SA Roeselare:/SvG/#890/fº 9 rº (Jeronimus Veranneman, d.d. 1577-01-17)

 
Voorlopige conclusie – Zelfs in onze stoutste dromen zien we nog geen heer Van Coilge, op zijn goed Coilge het koren malen van de omwonende boeren…
Alle hier genoemde jaartallen liggen daarvoor wat te ver uiteen.

 

  Het goed Coilge. In 1244 al werd er over dat goed geschreven; in 1489…1493 komt het als inkomstenbron nog steeds voor in de rekeningen van Roeselare Ambacht. Désiré Denys laat Coilge pas verdwijnen onder Napoleon.
  Onze voorouders. 1453 is het geschatte geboortejaar van onze pater familias Rouger van Coilge uit Ingelmunster. Uit niets, maar dan ook niets blijkt een relatie met Oostnieuwkerke.
  De Coillemolen. Oudste achterhaalde vermelding is 1577. In 1906 werden de resten van die oude molen afgebroken. Die 1577 ligt veel te ver weg van 1453.

 

Roeselaarse bronnen – Favorel maakte trans­scripties van prak­tisch alle zestiende-eeuwse documenten die het Roeselaarse stadsarchief herbergt. De ca. 50.000 ge­schreven bladzijden, Zantingen genoemd, zijn te raadplegen bij VVF Roeselare & Oostende en in de Roeselaarse stads­bibliotheek.
De VVF Roeselare maakte indexen van alle namen die in de Zantingen voorkomen. Die alfabetische lijst is ook te raadplegen in de gegevensbank van Ariadne online; daarvoor heb je een wachtwoord nodig, verkrijgbaar door een abonnement.

 

Waar komt het woord Coilge vandaan?

 
Taalkundigen aan het woord
 

«... in loco qui dicitur Coille». Dat schreef men al in 1263 ¹). En wij gaan er vanuit dat onze familie haar naam aan dat goed heeft ontleend.
 
Professor Albert Carnoy schrijft in zijn Dictionnaire étymologique du nom des Communes de Belgique (Leuven 1939–40) dat de naam Coilge van romaanse oor­sprong is.

 

We vallen hem daarin bij. Maar hij vergist zich waarschijnlijk als hij verder­op stelt dat de naam afkomstig zou zijn van het Franse woord caillou. De vorm Caillie –waarop die veronderstelling is gebaseerd– is van een latere datum dan het oorspronkelijke Coilge.
 

Karel De Flou laat in zijn Woordenboek der toponymie van Westelijk Vlaanderen &z… (Gent 1938), waarin talrijke Coilge-gegevens zijn opgenomen van 1200 tot 1840, de betekenis/herkomst van de naam voorzichtig in het midden.
 

Désiré Denys stelt in zijn Toponymie van Roeselare dat de naam van de heer­lijk­heid Coillie is afgeleid van het volkslatijn collia.

 

Dat is mogelijk dicht bij de waarheid. Het gebied onder Oostnieuwkerke, waar we het goed Coilge/Coille moeten zoeken, is (zeker voor Vlaamse begrippen) heu­vel­achtig. En waar vangt een molen de meeste wind? Juist: op een heuvel.
 

ADZO stelt in Biekorf (1909, blz. 300–301) dat Coille van caille zou komen.

 

Wie de archieven doorgespit heeft weet dat de spelling Caillie van veel latere datum is dan Coilge. Verder: ‘caille’ is een kwartel en Coilge was dat zéker niet.
 

Dr. J. Lindemans beweert in Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Aca­demie (januari 1946) dat de spelling Couillie niet ouder is dan het begin van de negentiende eeuw.
Verder stelt hij dat Coilge van het oude Franse cueille stamt.

 

We vragen ons af waarom dat niet rechtstreeks uit het Latijn zou zijn over­genomen zoals Denys dat veronderstelt. Hadden de Romeinen geen kampement op o.m. de Zilverberg aan de zuidwestkant van Roeselare? Dat is niet ver van de plaats waar we het goed Coille moeten situeren.
 

Dr. Soete haalde in Pastoor Slosse (uitg. Vermont, Kortrijk 1942) op blz. 97 Guido Gezelle aan. Gezelle meent –op basis van de variant Van Couillie– dat de naam is afgeleid van de plaatsnaam Tourkonje.

 

Gegeven het feit dat naamvarianten met ou vóór 1800 nauwelijks voorkwamen, moet Gezelle’s bewering naar het rijk van boerke Naas verwezen worden.
 

Peter Van Praet stelt in het hoofdstuk ‘Onoma’ van zijn webblad De genealogische website van de familie Van Praet uit Kruishoutem , op gezag van het Woorden­boek van de familienamen in Belgi & Noord-Frankrijk (uitg. Het Gemeentekrediet, 1993) van profes­sor Frans Debabandere: „Vancoillie: familie­naam, verwijzend naar een plaats­naam in Oostnieuwkerke (West-Vlaanderen). Coillie is afkomstig van het Latijnse ‘collia’, en is een afleiding van ‘collis’, hetgeen betekent: heuvel. Vancoillie betekent dus eigenlijk ‘Van­denheuvel’”.

 

Vandenheuvel? Dat het goed Coilge zijn naam mogelijk ontleend heeft aan een heuvel werd al door Denys en Lindemans opgemerkt. De familienaam Vancoillie echter, is niet ontleend aan een heuvel maar aan een goed dat naar een heuvel werd genoemd. Om de naam Debrabandere uit te leggen halen wij er de etymologie van het woord Brabant ook niet bij!

1) P.A. DG. f., Jura, privilegia et statuta Abbatiæ et conven­tus Monasterii Eccle­siæ Beatæ Mariæ Sinne­bekensis (cap. 113), Groot semi­narie Brugge 1632 (fonds Abdij Zonne­beke).
 

 
 
 
 

 

Zoals een
Debrabandere
uit Brabant komt,
zo komt een
Vancoillie
uit Coilge.

 

Na Coille

 
Magda van der Glas–Castro attendeerde ons op het feit dat Coille een nog veel voorkomende Keltische plaatsaanduiding is in Schotland & Ierland. Het betekent woud.
Waarom kwamen voornoemde ‘geleerden’ niet op dat idee? Het nabij Coilge ge­legen Roeselare heeft zijn naam ook te danken aan ‘een open plek in het bos’. En wie ook maar de eerste bladzijde van Conscience’s De Leeuw van Vlaanderen heeft gelezen moet weten dat, volgens hem, die bebossing er omstreeks 1302 nog altijd was.

 

Misschien moeten we met het onderzoek naar de herkomst van onze naam op dubbel spoor gaan zitten: 1:Romaans (plaats genoemd naar een heuvel), en 2:Keltisch (plaats genoemd naar een woud). Als ’t aan Magda ligt mogen we die volgorde zelfs omwisselen!

 

 

  Tigh-Na-Coille, (huis nabij het woud).
Je kunt op die site even een kijkje ne­men, maar als je met een zoekma­chine naar Na Coille zoekt, dan komt er beslist meer.

 

Zijn we dan Schotse Collies?
 
Dat beweren we niet, al komt de naam Coille in Schotland (en Ierland) blijkbaar veel voor. We vragen ons hier alleen af of de naam van het goed Coilge/Coille ontstaan kan zijn onder invloed van Schotten; van vroegere Schotse wol­handelaren bijvoorbeeld.

 

Maurits Vancoillie schreef in zijn inleiding bij de getypte stamboom over een oud klooster te Ingelmunster (het Engelse of Schotse klooster) dat ca. 880 door de Noormannen zou zijn verwoest. Het is dus best mogelijk dat er naast Romeinse ook Schotse invloeden geweest zijn op de plaatsnaamgeving in de omgeving.

 

Nu moeten we er alleen nog eens achter zien te komen wat de relatie is tussen Izegem/Ingelmunster, de verblijfplaats van onze oudst bekende voorouders –die kennelijk een goede relatie onderhielden met de Sint-Maartensabdij van Doornik– en het gebied Coilge onder Oostnieuwkerke waaraan ze hun naam te danken zou­den hebben.

 

 

Ingelmunster – San­derius noemde het in 1641 in zijn Flandria Illustrata: Anglo-Mo­nasterium.
In 1075 bouwde graaf van Vlaanderen Ro­brecht de Fries een ver­sterkte burcht op de ruïnes van een klooster dat in 640 be­woond was door Engelse monniken. Vandaar de plaats­naam Engels Munster (Engels monasterium of klooster).

 

De Vlaamse steden roeren zich…

 

 

Mede ten gevolge van de onderworpenheid van de gravinnen
Johanna en Margareta aan de Franse Capetingers, betraden ook de Vlaamse steden
het politieke toneel. Die verwierven in de 13e eeuw een stevige
politieke en economische macht.
 

In 1285 werd Filips de Schone koning van Frankrijk. Hij wilde alle Franse vorstendommen onder zijn directe gezag stellen. Graaf Gwijde van Dampierre verzette zich daartegen. Daarenboven wenste de graaf de steden onder zijn effectief gezag te brengen. In die steden waren inmiddels sociale onlusten uitgebroken tussen de bestuurders en het volk dat medezeggensschap eiste. De patriciërs (leliaarts) kozen de zijde van de koning, de anderen (klauwaarts) die van de graaf.

 

Na de Franse bezetting in 1300, leidde de ontevredenheid van het volk en de Vlaamse adel in 1302 tot de Brugse Metten (slachting onder de Franse bezetters en de Fransgezinde stadsbestuurders, voornamelijk door het volk onder leiding van de gildemeesters) en vervolgens, op 11 juli, tot de Gul­densporenslag bij Kortrijk waar een sterk bewapende Franse strafexpeditie door een Vlaams leger werd verslagen. Die overwinning was echter niet absoluut. Bij verdragen met de Franse kroon moest Vlaanderen zware toegevingen doen om een echte oorlog met Frankrijk af te wenden.
In de steden voltrok zich een democratiseringsproces (het Vlaams werd ondermeer toegestaan in bestuurszaken), maar na verloop van tijd zaten de oude families toch weer in de schepenzetels. Ter­wijl ook het streven naar stedelijke autonomie werd hervat, verscherpten de sociale tegen­stellingen zich tengevolge van een neergaande economie. Dit resulteerde in enkele nieuwe op­standen tegen o.m. het nog steeds aanwezige, maar verzwakte, Franse gezag: in Brugge leidde Klaas Zannekin een opstand (1323–1328) en in Gent waren Jacob (1338–1345) en Filips (1380–1385) van Artevelde de leidende figuren.

 

De Coilge’ wordt ‘Van Coilge’

 
Zijn we van oorsprong Vlaams of zijn we vervlaamst?
 

In vermeldingen vóór 1300 (zie bovenaan bij ‘oudste vermeldingen van onze naam’) werd onze naam vrij algemeen voorafgegaan door het Franse voorzetsel de: ‘de Coilge’. Na de Brugse Metten en de Guldensporenslag zien we dat gaan­deweg veranderen in ‘van Coilge’. Of onze voorouders daar nu op stonden of dat het lag aan de toenmalige vervlaamsing van de ambtenarij, we ’n weten ’t niet, maar omstreeks 1335 was het Franse voorzetsel definitief uit onze naam ver­dwenen.

 

Wat walsch is
valsch is ?

 

De oorspronkelijke uitspraak van onze naam

 

Natuurlijk heeft iedereen gelijk dat hij nu zijn naam uitspreekt/laat uitspreken zoals hij dat wil. Het Westvlaams is tenslotte een taal, en zoals elke andere taal kent het vele dialecten en is het onderhevig aan invloeden van buitenaf. Taal leeft!
Wij vragen ons echter af: „Hoe zouden onze voorouders die naam uit­ge­sproken hebben?” Daarnaar kunnen we alleen maar gissen; ze komen het ons echt niet vertellen…


Schrijfwijze – We nemen aan dat de schrijfwijze van onze naam vroeger een bij­na fonetische weergave was van wat de schrijver hoorde. Vlaamse of Nederlandse spellingregels waren er niet; men viel daarom dus terug op lettertekens die men in een échte cultuurtaal (’t Frans, de taal van ons onderwijs) voor bepaalde klanken had leren gebruiken.

 

[ j ] De j kwam vroeger niet in ons alfabet voor maar die letter ontstond wel in de hand­schriftperiode. Zou men bijvoorbeeld obiit geschreven hebben, dan zouden wij dat als obüt (met u-umlaut) op het per­kament zien staan. De tweede i van onze (korte) Vlaamse i-klank kreeg daarom voor de leesbaar­heid een ‘staart’ en in de dagelijkse praktijk was daarmee de j geboren. Men schreef dus obijt en i, ij, iij voor 1, 2 en 3.  En neen: we gaan de lettercombinatie i+j (in feite twee i’s) zeker geen ‘letter ij’ (ei) noemen.

 

[ ll ] De lettercombinatie ll werd veel gebruikt om er de j mee te spellen die in ons latijnse alfabet niet voorkwam. Die j werd vaak als lj uitgesproken. Denk daarbij aan een woord als medaille (medaje of medalje). Bij een oe- of u-klank treft men voor de j vaak een ypsilon aan (bloeymaend, buyten).

 

[ oi ] De lettercombinatie oi die zich eeuwenlang in onze naam handhaafde kwam in het Vlaams ook voor in woorden als oirbaar, hoirs. Die woorden werden niet met een a-klank uitgesproken maar met een o in combinatie met een zachte w.

 

[ w ] De w zelf bestond vroeger niet en wordt in het Frans ook nu niet gebruikt. Een w na een k werd conform het Frans gespeld als in quetsuren (kwetsuren). Het vroeger veel voorkomende Van Quoilge heeft daar veel van weg…

 
 

 

Te lezen
in ’t Vlams:

Ge zijt toch
’n dom kieken
oei’ de i en de j
van kijken
een lange ei
noemt.
Kobbe Van Coilge (2005)
 

Uitspraak – Gegeven de fonetische schrijfwijze kunnen we bovenstaand verhaal ook omdraaien en de geschreven naam dialectisch uitspreken zoals hij neergepend werd. Bij het interpreteren van al die schrijfwijzen valt o.m. op dat pastoors vaker coi… gebruikten dan de ambtenaren die de poorterslijsten bijhielden; in die lijsten zie je die coi veelal terug als quoLatijnse invloed versus Franse?
 
We laten het voorzetsel buiten beschouwing en splitsen de rest van onze naam hier­onder in twee lettergrepen. De meest waarschijnlijke oude uitspraak kennen we een 1 toe, en we zetten er een korte toelichting bij.

 

 
COIL
COOL
QUOIL
 
 
 
 
COEL
COUIL

 
 
 
 
 
QUAIL
CAIL
De eerste varianten doen ons denken aan ’n o-klank met ’n (zachte) w:
[1]  Kwo(o)l  (waarvan Coil, Cool, en Quoil)
dus zo­als de dubbele oo in ’t Westvlaams wordt uitgesproken.
Die oo klinkt in ’t West-Vlaams zó anders dat ze in vroegere spellingen zelfs in een open lettergreep dubbel werd geschreven. (Denk aan de kolen die je in de stove deed en de koolen die je opat).
We zetten de uitspraak met de w voor de o op nummer 1 wegens het veelvuldig voorkomen van de Quo-schrijfwijze in de poorterslijsten.
[2]  Kowel  (waarvan Coel en Couil),
De shrijfwijzen met oe en ou lijken op de weergave van een dialectisch verschil in plaatsen/tijdperk waar de w ‘anders’ uitgespro­ken/gehoord werd; in deze gevallen dus ná de o.
(De spelvorm met ou kwam vóór 1800 nauwelijks voor.)
 
Franstaligen lezen de oi al snel met een a-klank, eveneens voor­af­ge­gaan door een w (vergelijk Loire, uitspr. Lwaar[e]).
[3]  Kwaj   (waarvan Quaille)  en
[4]  Kajl     (waarvan Caillie)
lijken eerder op nabootsingen van die Franse a-klank. Bij de schrijfwijze Caillie verdwijnt zelfs de hierboven besproken w helemaal.
 
 
GE
GHE
HIE
 
LIE
LE
DE
Dr. Désiré Denys schreef over het toponiem ter Colghen:
«Zoals uit de varianten blijkt, wordt de mouillering lj veelal door lg weergege­ven».
Als meest oorspronkelijke uitspraakwijze verkiezen we toch
[1]  -lghe met de welbekende West-Vlaamse uitspraak van de g
dat in sommige streken weer verzachtte/verhardde respectievelijk tot
[2]  -lje    in Denys’ Roeselare (waarvan -lie), tot
[3]  -je     (waarvan Coille, Coije), en tot
[4]  -ldge (waaruit later Coylde, Coilde [en evt. Vandercoilden dat mogelijk ook familie betreft]).
 

Spelling.  Onze fami­lienaam is oud, en werd eigenlijk op zijn Frans gespeld; de C en de Q wijzen duide­lijk in die richting. Toen de geslachtsna­men, met de invoering van de burgerlijke stand, werden vastge­legd was Vlaanderen onderdeel van Frank­rijk (1795) en was de Franse invloed op de schrijfwijze mogelijk nog dominanter.
Omstreeks 1805 voerde Nederland zijn spelling Siegenbeek in; een spel­ling die een einde maakte aan bijv. het gebruik van de ou bij ’n oe-klank, de ae in straet en de C & y in Craeye. In Nederland ging men Kraai schrij­ven. (De ypsilon gold alleen nog voor woorden van Griekse komaf en voor Engelse leen­woorden.)
De burgerlijke stand werd in Nederland pas na die spellingsher­vorming (1811) inge­voerd. Gelijkluidende namen worden daar­door in ons taalgebied verschillend gespeld.

 

Vlaanderen op zijn hoogtepunt…

 

 

Tweehonderd jaar na Filips van den Elzas
was de graaf van Vlaanderen ’n machtiger heerser dan een van zijn voorgangers ooit.
 

Lodewijk van Male (1346–1384) was een modern en vooruitstrevend politicus. Hij kreeg de heer­lijk­heid Mechelen en de handelsstad Antwerpen in handen na zich terloops te hebben bemoeid met de erf­opvolging in het hertogdom Brabant. Zijn dochter Margareta liet hij trouwen met de Bourgondische hertog Filips de Stoute, waardoor hij Dowaai, Rijsel en Orchies herwon. In 1382 erfde hij van zijn moe­der, Margareta van Frankrijk, Artesië en Franche-Comté en regeerde tevens over de Franse vor­sten­dommen Nevers en Réthel.

 

leeuw

…de leeuw keek om zich heen en zag dat het goed was. Hij ging liggen
en viel in een diepe … diepe slaap.

 

...of kies een andere geschiedenisperiode in de menubalk bovenaan...