Van de wilgen

 
 

Hoe dikwijls een blad uit mijn album gescheurd
  en gestrooid op de varende Mandel!

 

Hoe dikwijls, daar tenden den hof, op den bank,
  gezucht om u, blinkende wilgen!

 

Want wie die u beelden kan, edele natuur,
  gij blinkende wilgen, wie maalt u?

 

Daar tenden de strekkende weide, daar neêr,
  wie beeldt u, o blinkende wilgen?

 

Intusschentijd komt hij, die rekent en telt
  voor hoeveel zijne hand u mag leveren.

 

Daar is hij! – o Wilgen toch, duikt u, verbergt
  uw stammen: ze komen, ze zijn daar!

 

Zij zitten en wetten het staal op het steen,
  en het steen op het staal, dat het knerzelt.

 

o Aarde, gij moeder van al dat er leeft,
  gij baardet, gij voeddet de wilgen:

zij klampen u, moeder, zoo vast en zoo teer,
    o moeten ze, moeten ze losgaan?
 

Hoe dikwijls een blad uit mijn album gescheurd
  en gezucht naar u, blinkende wilgen!

 

En, treffelijke wilgen, daar stondt ge toen nog,
  gij ligt nu geveld en gevallen!

 

Hoe dikwijls en schouwde ik des morgens u niet,
  bij ’t krieken des wordenden daglichts,

met dien blauwenden band om uw zilveren kruin,
  lijk het snoer om het haar van een Engel!

 

Toen kwam daar de zonne en ontliet u den band,
  en hij smolt in de blauwte des hemels,

en, schoone, toen braakt gij vooruit in het licht,
  en stondt daar vol enkele schoonheid.

Zoo brak uit het graf eens die morgen en dag,
  die hemel en aarde gemaakt heeft;

zoo breekt gij, mijn ziele, uwe banden wel eens
  en staat ge op uw eigene vleugelen.
 

Hoe dikwijls een blad uit mijn album gescheurd
  en gestrooid op de klagende Mandel!

o Treffelijke wilgen daar stondt gij weleer
  en schuddet uw kleed in den morgen;

en schuddende ruischte ’t, lijk zilver en goud,
  vol springende en klingende vogelen;

en priemende boorde er de zonne toen deur,
  langs duizend beschilderde paden;

vol somber en donker en duister en groen,
  vol verwen die niemand een naam geeft;

vol glinsterend rood, en vol glimmerend wit,
  vol blauwendig pinkelend purper;

vol sterren en vonkels en pralend gesteent,
  dat afviel en tinkelde in ’t water.

 

Zoo stondt gij daar, treffelijke wilgen, weleer,
  vol pracht in den blinkenden morgen,

den arm op den hals en den hals in den arm,
  gesteund op malkaar lijk twee vrienden;

alhier en aldaar, lijk een reuzengewelf,
  gebouwd lijk een kerke op het water;

het water dat tusschen u beiden voorbij
  liep, langzaam en lachend daarhenen.
 

’k Heb dikwijls een blad uit mijn album gescheurd
  en gestrooid op de varende Mandel,

nu éénmaal een blad in mijn album bewaard,
  geteekend: „Een blad van de wilgen”.

 

G.G. 1859

 

vancoilge.net